Menu
Home /

Substraat & drainage

Een geschikt substraat vormt de basis van een gezonde wortelomgeving. Het ondersteunt de plant en bepaalt hoeveel water en lucht rond de wortels beschikbaar blijven. Drainage zorgt ervoor dat overtollig water uit de wortelzone kan verdwijnen.

Een goed substraat houdt voldoende vocht vast, maar behoudt ook lucht en structuur. Welke samenstelling geschikt is, hangt af van de plant, de omstandigheden en het gebruik in een pot of in de volle grond.


Wat zijn substraat en drainage?


Wat wordt bedoeld met substraat?

Substraat is het materiaal waarin de wortels van een plant groeien. Bij potplanten kan het bestaan uit potgrond, kokosvezel, schors, perliet, puimsteen of een mengsel van organische en minerale bestanddelen. In de volle grond vormt de bestaande bodem de wortelomgeving.

Het substraat ondersteunt de plant, houdt water vast en zorgt ervoor dat lucht de wortels kan bereiken. Sommige bestanddelen kunnen daarnaast tijdelijk voedingsstoffen vasthouden.

De werking wordt bepaald door het volledige mengsel. Niet alleen de gebruikte materialen, maar ook de korrelgrootte, verhoudingen en stabiliteit beïnvloeden het resultaat.


Wat wordt bedoeld met drainage?

Drainage is het afvoeren van overtollig water uit de wortelzone. Het water moet zich door het substraat kunnen verplaatsen en vervolgens uit de pot of verder in de omringende bodem kunnen wegstromen.

Bij potplanten zijn vooral de structuur van het substraat, de afvoergaten en de vrije uitstroom van water belangrijk. In de volle grond spelen ook de bodemstructuur, onderliggende grondlagen, verdichting en ligging van de plantplaats een rol.

Goede drainage betekent niet dat al het water zo snel mogelijk moet verdwijnen. Het substraat moet voldoende vocht vasthouden en alleen het overtollige water afvoeren.


Waarom hebben wortels zowel water als lucht nodig?

Tussen de deeltjes van een substraat bevinden zich poriën. Een deel bevat water en een ander deel lucht. Wortels nemen water op, maar hebben ook zuurstof nodig om normaal te functioneren.

Tijdens het water geven vullen veel poriën zich met water. Nadat het overtollige water is afgevoerd, moeten voldoende poriën opnieuw lucht bevatten. Blijven vrijwel alle poriën langdurig met water gevuld, dan neemt de beschikbare zuurstof rond de wortels af.

De gewenste verhouding tussen water en lucht verschilt per plant. Er bestaat daarom geen substraat dat in iedere situatie geschikt is.


Welke eigenschappen moet een geschikt substraat hebben?


Water opnemen en voldoende lang vasthouden

Een geschikt substraat neemt water op, verdeelt het over de wortelzone en houdt voldoende vocht beschikbaar voor de plant.

Meer vocht vasthouden is niet altijd beter. Sommige planten groeien goed in een gelijkmatig vochtige wortelomgeving. Andere planten hebben meer lucht rond de wortels nodig en verdragen geen substraat dat langdurig veel water vasthoudt.

Ook de omstandigheden hebben invloed. Warmte, zonlicht, luchtbeweging en de hoeveelheid substraat rond de wortels bepalen mede hoe snel het substraat vocht verliest. Hetzelfde mengsel kan daardoor op de ene standplaats goed functioneren en op een andere plaats te lang nat of te snel droog blijven.


Overtollig water uit de wortelzone afvoeren

Overtollig water dat niet door het substraat wordt vastgehouden, moet uit de wortelzone kunnen verdwijnen. Daarvoor zijn doorlopende poriën en een vrije afvoer nodig.

Het oppervlak kan luchtig lijken terwijl een diepere laag verdicht is. Ook kan water goed door het substraat stromen, maar vervolgens in een gesloten sierpot blijven staan. De volledige afvoerroute moet daarom vrij zijn.

Zeer snelle afvoer is evenmin altijd gunstig. Wanneer water nauwelijks in het substraat trekt of alleen via scheuren wegloopt, wordt de wortelzone mogelijk niet gelijkmatig bevochtigd.


Voldoende lucht rond de wortels behouden

Na het uitlekken moet een deel van de ruimte tussen de substraatdeeltjes opnieuw lucht bevatten. Vooral grotere, onderling verbonden poriën dragen hieraan bij.

Een mengsel met grove deeltjes is echter niet vanzelfsprekend luchtig. Fijn materiaal kan de open ruimten ertussen opvullen. Deeltjes kunnen bovendien verplaatsen, afbreken of na verloop van tijd dichter op elkaar komen te liggen.

Hoe luchtig het substraat blijft, hangt daarom af van de combinatie en verdeling van verschillende korrelgroottes.


Een luchtige en stabiele structuur behouden

Een substraat moet niet alleen aanvankelijk luchtig zijn, maar die structuur ook voldoende lang behouden.

Organische materialen breken geleidelijk af. Fijne deeltjes kunnen naar beneden zakken en poriën opvullen. Hierdoor kan het substraat inzakken, verdichten of aan het oppervlak dichtslibben.

Een stabiel mengsel behoudt voldoende poriën en verandert niet snel in een dichte massa. Hoe lang de structuur behouden moet blijven, hangt af van de plant, de gebruiksduur en het moment waarop het substraat opnieuw kan worden beoordeeld.


Hoe bepaalt u welk substraat geschikt is voor uw plant?


De natuurlijke wortelomgeving van de plant

De natuurlijke groeiplaats geeft inzicht in de eigenschappen waaraan het substraat moet voldoen. Sommige planten groeien in losse, organische grond die vocht vasthoudt en toch luchtig blijft. Andere soorten komen voor in steenachtige of minerale bodems waar overtollig water snel wegzakt.

Een vochtige natuurlijke omgeving betekent niet dat de wortels voortdurend in verzadigde grond staan. Andersom hoeft een plant uit een droog gebied niet volledig droog te worden gehouden.

Gebruik de natuurlijke wortelomgeving als uitgangspunt voor de hoeveelheid vocht die het substraat vasthoudt, de luchtigheid en de structuur. Houd daarnaast rekening met de omstandigheden waarin de plant bij u groeit.


De vocht- en zuurstofbehoefte van de wortels

Een geschikt substraat sluit aan op zowel de vochtbehoefte als de zuurstofbehoefte van de wortels.

Planten die gelijkmatig vocht nodig hebben, vragen om een mengsel dat voldoende water vasthoudt zonder dicht te slaan. Planten waarvan de wortels meer lucht nodig hebben, hebben doorgaans baat bij een luchtiger substraat dat overtollig water vlot afvoert.

Een vochtvasthoudend mengsel kan goed functioneren zolang voldoende luchtporiën aanwezig blijven. Een zeer grof mengsel kan juist ongeschikt zijn wanneer het te weinig water vasthoudt of vocht ongelijkmatig verdeelt.


De omstandigheden waarin het substraat wordt gebruikt

In een warme, zonnige of winderige omgeving verliest substraat sneller vocht. Op een koele, beschutte standplaats met minder licht blijft hetzelfde mengsel meestal langer vochtig.

Buiten hebben regen en weerswisselingen extra invloed. Een substraat dat tijdens droog weer goed functioneert, kan bij langdurige regen te veel water vasthouden als de afvoer onvoldoende is. Onder een overkapping ontvangt de plant juist minder regenwater.

Ook binnen bestaan verschillen door licht, verwarming, luchtbeweging en seizoensveranderingen. Beoordeel het substraat daarom altijd in combinatie met de werkelijke standplaats.


Gebruik in een pot of in de volle grond

In een pot is het substraatvolume begrensd en kan water alleen via de afvoergaten verdwijnen. De verhouding tussen wortelkluit, hoeveelheid substraat en afvoer heeft hierdoor veel invloed op de vochtigheid.

In de volle grond staat de wortelzone in verbinding met de omringende bodem. Water kan zich zijwaarts en naar diepere lagen verplaatsen, mits de bodemstructuur dit toelaat. Verdichting, een slecht doorlatende ondergrond of een hoge grondwaterstand kan de afvoer beperken.

Vul een plantgat niet zonder meer uitsluitend met potgrond. Wanneer het aangepaste gedeelte sterk afwijkt van de omringende bodem, kan water zich in het plantgat verzamelen en kunnen wortels moeilijker naar buiten groeien.


Hoe beoordeelt u het bestaande substraat?


Trekt water gelijkmatig in het substraat?

Bekijk tijdens het water geven hoe water zich over het oppervlak verspreidt. Bij een goed functionerend substraat trekt het redelijk gelijkmatig in en blijft het niet langdurig bovenop staan.

Water dat direct via scheuren of langs de potwand wegloopt, kan delen van de wortelzone overslaan. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer het substraat is gekrompen, losgekomen of plaatselijk waterafstotend is geworden.

Een sterk uitgedroogde of fijne bovenlaag kan aanvankelijk wat langzamer water opnemen. Gebeurt dit regelmatig of trekt het water nauwelijks in, controleer dan de verdere structuur en vochtverdeling.


Blijft het substraat niet te lang of te kort vochtig?

Bekijk hoe lang het substraat na het water geven vochtig blijft. Houd daarbij rekening met de plant, de standplaats en de hoeveelheid substraat.

Er bestaat geen vast aantal dagen waarin ieder geschikt mengsel moet opdrogen. Een langdurig vochtige wortelomgeving kan voor de ene plant geschikt zijn, maar bij een andere plant voor te weinig lucht rond de wortels zorgen.

Met deze controle kunt u beoordelen of het substraat in deze situatie te lang of juist te kort vochtig blijft. Het bepalen van het volgende gietmoment wordt behandeld op de pagina Water geven.


Wordt water door de gehele wortelzone verdeeld?

Een vochtig oppervlak betekent niet dat het water ook dieper in het substraat is gekomen. Andersom kan de bovenkant droog zijn terwijl onder in de pot nog veel vocht aanwezig is.

Een ongelijke verdeling kan ontstaan door verschillen in samenstelling, verdichte delen, holtes, scheuren of plekken waarlangs water steeds snel wegloopt.

Controleer daarom, voor zover dit zonder schade mogelijk is, de vochtverdeling op verschillende dieptes en plaatsen in de wortelzone.


Is de structuur nog luchtig en stabiel?

Controleer of het substraat is ingezakt, hard is geworden, van de potwand is losgekomen of een dichte bovenlaag heeft gevormd.

Wanneer het substraat inzakt, kan dit erop wijzen dat organische bestanddelen zijn afgebroken of dat de deeltjes dichter op elkaar zijn komen te liggen. Hierdoor verandert de oorspronkelijke structuur en de ruimte tussen de deeltjes.

Combineer deze waarnemingen met de manier waarop water intrekt, zich verdeelt en wordt afgevoerd. Alleen de toestand van de bovenlaag geeft geen volledig beeld.


Hoe kunt u de eigenschappen van het substraat aanpassen?


Bestanddelen die meer water vasthouden

Kokosvezel, veenhoudende bestanddelen en andere organische materialen kunnen ervoor zorgen dat het substraat meer water vasthoudt. Ook bepaalde fijne minerale bestanddelen kunnen water vasthouden.

Kokosvezel kan vocht opnemen en tegelijkertijd bijdragen aan een luchtige structuur, maar de eigenschappen verschillen per product. Veenhoudende materialen houden veel vocht vast, maar kunnen na sterke uitdroging moeilijker gelijkmatig opnieuw water opnemen.

Fijne organische materialen kunnen water en voedingsstoffen vasthouden. Bij een te groot aandeel vullen ze echter de ruimte tussen grovere deeltjes op en neemt de kans op verdichting toe.


Bestanddelen die luchtigheid en waterafvoer verbeteren

Perliet, puimsteen, grove schors en lavagesteente kunnen bijdragen aan meer luchtruimte en een betere waterafvoer. De werking hangt af van de korrelgrootte, hoeveelheid, stabiliteit en verdeling.

Perliet is licht en poreus, maar kan tijdens het gebruik naar boven bewegen. Puimsteen en lavagesteente zijn zwaarder. De hoeveelheid water die deze materialen vasthouden en de mate waarin ze poreus zijn, verschillen per soort en formaat.

Grove schors helpt grotere poriën behouden, maar breekt als organisch materiaal geleidelijk af. Hierdoor worden de deeltjes kleiner en verandert de structuur.

Een te groot aandeel grof materiaal kan ervoor zorgen dat het substraat onvoldoende vocht vasthoudt of dat het vocht zich ongelijkmatig verdeelt. De werking van het mengsel moet daarom altijd als geheel worden beoordeeld.


Waarom fijne en grove bestanddelen in balans moeten zijn

Fijne bestanddelen hebben samen een groot oppervlak en kunnen daardoor relatief veel water vasthouden. Bij een te groot aandeel vullen ze open ruimten op, waardoor het substraat water langzamer afvoert en minder lucht rond de wortels overblijft.

Grove bestanddelen ondersteunen grotere poriën en de structuur. Een overwegend grof mengsel kan echter te weinig water vasthouden of water via enkele snelle routes afvoeren.

De geschikte verhouding verschilt per plant en situatie. Vooral de manier waarop de verschillende korrelgroottes samen een blijvend luchtige structuur vormen, bepaalt het resultaat.


Waarom één bestanddeel of een vast recept niet alles zegt

Een bestanddeel heeft vaak meerdere eigenschappen. Het kan water vasthouden en tegelijk luchtruimte bieden. In een andere combinatie kan hetzelfde materiaal juist poriën opvullen of de afvoer te sterk versnellen.

Een ingrediëntenlijst zonder verhoudingen zegt daarom weinig over de werking. Ook de kwaliteit, korrelgrootte en stabiliteit van de materialen zijn belangrijk.

teGebruik een vast recept hooguit als uitgangspunt. Controleer vervolgens of het volledige mengsel past bij de plant, de standplaats, het klimaat en het gebruik in een pot of in de volle grond.


Hoe zorgt u voor goede drainage in een pot?


Zorg voor open afvoergaten

Een pot moet voldoende afvoergaten hebben die volledig open blijven. Zonder vrije afvoer blijft overtollig water onderin staan, ook wanneer het substraat luchtig is.

Controleer of de gaten niet worden afgesloten door een vlakke ondergrond, wortels, samengedrukt substraat of opgehoopt materiaal. Een gaasje kan voorkomen dat grove substraatdeeltjes naar buiten vallen, maar mag de waterafvoer niet blokkeren.

Een gesloten sierpot heeft geen eigen afvoer. Gebruik hierin bij voorkeur een kweekpot met open afvoergaten en verwijder het uitgelekte water uit de sierpot.


Voorkom dat de pot in achtergebleven water staat

Water dat tijdens het water geven kort in een schotel of sierpot terechtkomt, vormt niet direct een probleem. Het risico ontstaat wanneer het langdurig blijft staan en contact houdt met de onderkant van de pot of het substraat.

Controleer na het uitlekken of overtollig water kan worden verwijderd. Houd ook buiten rekening met schalen en sierpotten waarin regenwater zich ongemerkt kan verzamelen.

Potvoeten kunnen afvoergaten vrijhouden wanneer een pot op een vlakke ondergrond staat. Dit werkt alleen wanneer het uitgestroomde water daarna vrij kan wegstromen.


Houd rekening met het substraatvolume

Een groot volume substraat rond een kleine wortelkluit kan veel water vasthouden. Omdat het beperkte wortelstelsel slechts een deel daarvan benut, blijft de omliggende massa vaak langer nat.

De samenstelling van het substraat, de afvoergaten en de omstandigheden blijven eveneens bepalend. Een grote pot draineert dus niet vanzelfsprekend slecht.

De keuze van de potmaat en het verpotproces worden behandeld op de pagina Verpotten. Voor drainage is vooral belangrijk dat de hoeveelheid substraat invloed heeft op de hoeveelheid vocht rond de wortels.


Waarom een laag stenen onder in de pot niet automatisch helpt

Een laag grind, hydrokorrels of stenen onder fijner substraat zorgt er niet vanzelf voor dat water sneller uit het bovenliggende mengsel verdwijnt. Water verplaatst zich niet direct vanuit fijne poriën naar de veel grovere ruimten daaronder.

Het bovenliggende substraat kan daardoor langer verzadigd blijven voordat water de grove laag bereikt. De laag neemt bovendien ruimte in die anders beschikbaar is voor geschikt substraat waarin de wortels kunnen groeien.

Een stenenlaag kan voor andere doeleinden worden gebruikt, maar verbetert de drainage van het bovenliggende substraat niet en vervangt geen open afvoergaten.


Hoe zorgt u voor goede drainage in de volle grond?


Beoordeel waar water na regen of water geven blijft staan

Bekijk waar water zich verzamelt en hoe lang het zichtbaar blijft. Tijdelijk water aan het oppervlak hoeft geen structureel probleem te zijn. Water dat langdurig blijft staan, kan erop wijzen dat het onvoldoende intrekt of niet naar diepere lagen wegstroomt.

Let ook op de ligging. Water kan vanaf bestrating, een helling of hoger gelegen grond naar de wortelzone stromen. In een laag gedeelte kan daardoor meer water samenkomen dan de bodem kan verwerken.

Een droge bovenlaag sluit niet uit dat dieper in de wortelzone nog veel water aanwezig is.


Controleer de structuur van de bestaande bodem

Verdichte bodem bevat minder grote poriën, waardoor water langzamer intrekt en wordt afgevoerd. De verdichting kan aan het oppervlak of in een diepere laag aanwezig zijn.

Controleer of de grond los en kruimelig is of juist hard en dicht aanvoelt. Let bij een plantgat ook op versmeerde zijwanden, die kunnen ontstaan wanneer natte kleigrond tijdens het graven wordt gladgedrukt.

Zand-, leem- en kleigrond verschillen in structuur en in de hoeveelheid water die ze vasthouden. Een aanpassing die bij de ene grondsoort werkt, kan bij een andere bodem weinig effect hebben of de structuur verslechteren.


Voorkom dat het plantgat een waterreservoir wordt

Een plantgat met een sterk afwijkend, doorlatend mengsel kan in een slecht doorlatende bodem water verzamelen. Het water stroomt snel door de aangepaste grond, maar kan vervolgens niet naar de omgeving verdwijnen.

Zorg daarom voor een goede aansluiting met de bestaande bodem. Maak gladde of verdichte zijwanden los en verbeter indien nodig een ruimer gebied in plaats van alleen het plantgat.

Een grindlaag onderin lost een slecht doorlatende ondergrond niet op. Wanneer het water nergens heen kan, blijft het alsnog rond de wortels aanwezig.


Verbeter de wortelzone of plant op een verhoging

Wanneer verdichting of een ongunstige structuur de afvoer belemmert, kan de bodem over een groter oppervlak worden verbeterd. De aanpak moet passen bij de grondsoort en de oorzaak.

Organisch materiaal kan bij bepaalde bodems helpen de structuur te verbeteren. Willekeurig zand toevoegen aan zware kleigrond is geen betrouwbare oplossing. Bij een ongeschikte zandsoort of een te kleine hoeveelheid wordt de structuur mogelijk niet verbeterd en kan de bodem juist moeilijker bewerkbaar worden.

Kan de waterafvoer op die plaats niet voldoende worden verbeterd, dan kan planten op een verhoging of in een verhoogd plantvak uitkomst bieden. Een groter deel van de wortelzone bevindt zich dan boven de slecht doorlatende bodem. De juiste uitvoering hangt af van de plant, de bodemopbouw en de plaatselijke waterafvoer.


Welke signalen wijzen op een slecht functionerend substraat?


Water blijft op het oppervlak staan

Water dat regelmatig lang op het oppervlak blijft staan, kan samenhangen met een verdichte bovenlaag, een zeer fijne structuur of materiaal dat water moeilijk opneemt.

Dit betekent niet direct dat de volledige wortelzone te nat is. Het water kan later via enkele routes wegstromen. Controleer daarom ook de diepere structuur en vochtverdeling.


Water loopt direct langs de potwand weg

Wanneer water meteen langs de potwand naar beneden stroomt, kan het substraat zijn gekrompen of losgekomen. De ontstane ruimte leidt het water dan grotendeels om de wortelzone heen.

Ook scheuren, verdichte delen en waterafstotende plekken kunnen routes vormen waarlangs water snel wegloopt. Water dat snel via de onderkant uit de pot loopt, bewijst dus niet dat het volledige substraat voldoende is bevochtigd.


Het substraat blijft opvallend lang nat

Substraat dat langer nat blijft dan geschikt is voor de plant en de omstandigheden, kan te veel water vasthouden. Mogelijke oorzaken zijn een fijne of verdichte structuur, geblokkeerde afvoergaten, achtergebleven water of een grote hoeveelheid substraat rond de wortels.

Controleer eerst de afvoer, de structuur, de vochtverdeling en de omstandigheden voordat u de oorzaak vaststelt.


Het substraat droogt plaatselijk veel sneller uit

Grote verschillen binnen dezelfde wortelzone kunnen ontstaan door een ongelijke samenstelling. Sommige delen bevatten mogelijk meer grof materiaal, terwijl andere delen juist meer fijne, vochtvasthoudende materialen bevatten.

Ook holtes, scheuren en plaatselijke verdichting kunnen ervoor zorgen dat water steeds dezelfde weg volgt en andere delen van het substraat vrijwel droog blijven. Controleer daarom of water de gehele wortelzone bereikt.


Het substraat is ingezakt, hard of waterafstotend geworden

Inzakken kan wijzen op afbraak van organische bestanddelen of het samendrukken van de ruimten tussen de substraatdeeltjes. Een harde massa kan de opname, verdeling en afvoer van water belemmeren.

Sterk uitgedroogde organische materialen kunnen moeilijk opnieuw water opnemen. Het water blijft dan op het oppervlak staan of loopt via scheuren weg.


Of een plaatselijke aanpassing nog voldoende is, hangt af van de ernst en de toestand van het volledige substraat.


Hoe hangt substraat samen met de overige verzorging?

De werking van het substraat hangt samen met watergift, temperatuur, luchtbeweging en verdamping. Het substraat beïnvloedt daarnaast hoeveel voedingsstoffen worden vastgehouden, beschikbaar blijven voor de plant of met het water uitspoelen.

Verpotten kan een logisch moment zijn om de samenstelling en structuur opnieuw te beoordelen. De specifieke instructies voor water geven, temperatuur, luchtvochtigheid, voeding en verpotten worden op de afzonderlijke verzorgingspagina’s behandeld.


Welke vergissingen worden vaak gemaakt?


Voor iedere plant hetzelfde standaardmengsel gebruiken

Een standaardmengsel kan voor verschillende planten bruikbaar zijn, maar past niet bij iedere combinatie van plant en standplaats.

Planten verschillen in hun behoefte aan vocht, luchtruimte en afvoer. Ook de omstandigheden beïnvloeden de werking. Kijk daarom naar de eigenschappen van het substraat en niet alleen naar de naam op de verpakking.


Alleen op snelle waterafvoer letten

Water dat snel uit een pot loopt, bewijst niet dat de drainage goed functioneert. Het kan langs de potwand of via scheuren wegstromen zonder de volledige wortelzone te bevochtigen.

Een mengsel dat weinig water vasthoudt, kan bovendien te snel of ongelijkmatig uitdrogen. Goede drainage vraagt om een balans tussen het opnemen, verdelen, vasthouden en afvoeren van water.


Te veel fijn of juist te veel grof materiaal gebruiken

Een te groot aandeel fijn materiaal kan de ruimte tussen grotere deeltjes opvullen. Het substraat verdicht dan gemakkelijker, bevat minder lucht en voert water langzamer af.

Te veel grof materiaal kan ertoe leiden dat het substraat onvoldoende water vasthoudt en het vocht zich ongelijkmatig verdeelt.

De juiste verhouding hangt af van alle gebruikte materialen. Alleen de aanwezigheid van een fijn of grof bestanddeel zegt daarom onvoldoende.


Alleen de bovenkant van het substraat beoordelen

Het oppervlak kan sneller uitdrogen dan de diepere wortelzone. Andersom kan een dichte bovenlaag nat blijven terwijl water via scheuren langs drogere delen stroomt.

Controleer waar mogelijk ook de diepere structuur en vochtverdeling. Gebruik de bovenlaag niet als enige maatstaf voor het functioneren van het substraat of voor het bepalen van het volgende gietmoment.


Een slechte structuur proberen te corrigeren met de watergift

Het kan tijdelijk nodig zijn de watergift aan de actuele situatie aan te passen. Anders water geven herstelt echter geen verdicht, afgebroken of structureel ongeschikt substraat.

Trekt water ongelijkmatig in of blijft het langdurig in een dichte wortelzone aanwezig, onderzoek dan de structuur en drainage. Alleen de hoeveelheid of frequentie van de watergift veranderen, neemt de oorzaak niet weg.


Wat kunt u vandaag al controleren?

  • Controleer of overtollig water werkelijk uit de pot of wortelzone kan verdwijnen.
  • Bekijk of water gelijkmatig in het substraat trekt.
  • Controleer of het substraat niet te lang of juist te kort vochtig blijft.
  • Beoordeel de structuur op verdichting, inzakken en waterafstotendheid.
  • Controleer bij vollegrondplanten waar regen- en gietwater naartoe stroomt.
  • Bepaal welke eigenschap niet goed functioneert en of een gerichte aanpassing mogelijk is.
  • Is het substraat van een potplant ernstig verdicht, afgebroken of volledig ongeschikt, beoordeel dan of verpotten in een nieuw, passend substraat nodig is.